Übersicht
Niederländisch nach Schwedisch:   mehr Daten
  1. opkloppen:


Niederländisch

Detailübersetzungen für opkloppen (Niederländisch) ins Schwedisch

opkloppen:

opkloppen Verb (klop op, klopt op, klopte op, klopten op, opgeklopt)

  1. opkloppen (overdreven voorstellen; overdrijven; opblazen; aandikken; opschroeven)
    överdriva; blåsa upp; ta till i överkant
    • överdriva Verb (överdrivar, överdrivade, överdrivat)
    • blåsa upp Verb (blåser upp, blåste upp, blåst upp)
    • ta till i överkant Verb (tar till i överkant, tog till i överkant, tagit till i överkant)
  2. opkloppen (iets overdreven voorstellen; overdrijven; opblazen; aandikken)
    överdriva
    • överdriva Verb (överdrivar, överdrivade, överdrivat)

Konjugationen für opkloppen:

o.t.t.
  1. klop op
  2. klopt op
  3. klopt op
  4. kloppen op
  5. kloppen op
  6. kloppen op
o.v.t.
  1. klopte op
  2. klopte op
  3. klopte op
  4. klopten op
  5. klopten op
  6. klopten op
v.t.t.
  1. heb opgeklopt
  2. hebt opgeklopt
  3. heeft opgeklopt
  4. hebben opgeklopt
  5. hebben opgeklopt
  6. hebben opgeklopt
v.v.t.
  1. had opgeklopt
  2. had opgeklopt
  3. had opgeklopt
  4. hadden opgeklopt
  5. hadden opgeklopt
  6. hadden opgeklopt
o.t.t.t.
  1. zal opkloppen
  2. zult opkloppen
  3. zal opkloppen
  4. zullen opkloppen
  5. zullen opkloppen
  6. zullen opkloppen
o.v.t.t.
  1. zou opkloppen
  2. zou opkloppen
  3. zou opkloppen
  4. zouden opkloppen
  5. zouden opkloppen
  6. zouden opkloppen
en verder
  1. ben opgeklopt
  2. bent opgeklopt
  3. is opgeklopt
  4. zijn opgeklopt
  5. zijn opgeklopt
  6. zijn opgeklopt
diversen
  1. klop op!
  2. klopt op!
  3. opgeklopt
  4. opkloppend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für opkloppen:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
blåsa upp aandikken; opblazen; opkloppen; opschroeven; overdreven voorstellen; overdrijven aanblazen; aanstoken; aanwakkeren; bollen; opbollen; openwaaien; oppoken; opstoken; poken; stoken
ta till i överkant aandikken; opblazen; opkloppen; opschroeven; overdreven voorstellen; overdrijven
överdriva aandikken; iets overdreven voorstellen; opblazen; opkloppen; opschroeven; overdreven voorstellen; overdrijven breed uitmeten; grootspreken; opscheppen; opsnijden; snoeven; uitweiden