Übersicht
Niederländisch nach Spanisch:   mehr Daten
  1. uitspringend:
  2. uitspringen:
  3. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für uitspringend (Niederländisch) ins Spanisch

uitspringend:

uitspringend Adjektiv

  1. uitspringend (vooruitspringend; vooruitstekend; naar voren staand)

Übersetzung Matrix für uitspringend:

ModifierVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
sobresaliente naar voren staand; uitspringend; vooruitspringend; vooruitstekend boven uit torend; bovenuit stekend; briljante; hoogwaardig; perfect; prima; te goed; uitstek; van goede kwaliteit

uitspringen:

Konjugationen für uitspringen:

o.t.t.
  1. spring uit
  2. springt uit
  3. springt uit
  4. springen uit
  5. springen uit
  6. springen uit
o.v.t.
  1. sprong uit
  2. sprong uit
  3. sprong uit
  4. sprongen uit
  5. sprongen uit
  6. sprongen uit
v.t.t.
  1. heb uitgesprongen
  2. hebt uitgesprongen
  3. heeft uitgesprongen
  4. hebben uitgesprongen
  5. hebben uitgesprongen
  6. hebben uitgesprongen
v.v.t.
  1. had uitgesprongen
  2. had uitgesprongen
  3. had uitgesprongen
  4. hadden uitgesprongen
  5. hadden uitgesprongen
  6. hadden uitgesprongen
o.t.t.t.
  1. zal uitspringen
  2. zult uitspringen
  3. zal uitspringen
  4. zullen uitspringen
  5. zullen uitspringen
  6. zullen uitspringen
o.v.t.t.
  1. zou uitspringen
  2. zou uitspringen
  3. zou uitspringen
  4. zouden uitspringen
  5. zouden uitspringen
  6. zouden uitspringen
en verder
  1. ben uitgesprongen
  2. bent uitgesprongen
  3. is uitgesprongen
  4. zijn uitgesprongen
  5. zijn uitgesprongen
  6. zijn uitgesprongen
diversen
  1. spring uit!
  2. springt uit!
  3. uitgesprongen
  4. uitspringend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für uitspringen:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
brillar blinken
saltar a la vista opvallen
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
brillar afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken blaken; blinken; flikkeren; flonkeren; fonkelen; geuren; glanzen; glimmen; glinsteren; glitteren; klingelen; licht geven; licht schijnen; licht uitzenden; pralen; pronken; rinkelen; schijnen; schitteren; sprankelen; stralen; te kijk lopen met; tingelen; tinkelen; twinkelen
descollar afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken
destacarse afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken aanschouwen; bekijken; decoreren; een ereteken geven; een onderscheidingsteken geven; gewaarworden; kijken; naar de vijand overlopen; onderscheiden; ontwaren; opmerken; ridderen; staren; te zien krijgen; turen; van elkaar onderscheiden; zien
exhibir afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken aanbieden; blootleggen; etaleren; exposeren; geuren; laten zien; offreren; onthullen; ontmaskeren; pralen; presenteren; pronken; te kijk lopen met; tentoonspreiden; tentoonstellen; tonen; uitstallen; vertonen; voor ogen brengen; voorleggen
exponer afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken belichten; beschikbaar maken; beschrijven; blootleggen; etaleren; exposeren; geuren; insturen; inzenden; laten zien; mededelen; met licht beschijnen; onthullen; ontmaskeren; ontvouwen; openbreken; openleggen; posten; pralen; presenteren; pronken; te kijk lopen met; tentoonspreiden; tentoonstellen; tonen; uiteenzetten; uitleggen; uitstallen; verduidelijken; verhalen; vertellen; vertonen; voor ogen brengen; zeggen
extender afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken distribueren; expanderen; gunnen; iets toekennen; openen; ronddelen; spreiden; talrijker maken; toebedelen; toekennen; toewijzen; uitbouwen; uitbreiden; uitdijen; uitreiken; uitsmeren; verbreiden; verdelen; vergroten; vermeerderen; verruimen; verwijden
hacerse interesante afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken aandacht trekken; geuren; pralen; pronken; te kijk lopen met
llamar la atención afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken bemerken; opmerken
ostentar afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken exposeren; geuren; pralen; pronken; te kijk lopen met; tentoonspreiden; tentoonstellen; tonen; uitstallen; vertonen
resaltar afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken markeren; vooruitspringen; vooruitsteken
saltar afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken barsten; een knippend geluid maken; een sprongetje maken; induiken; kletteren; losspringen; openspringen; opspringen; overheen springen; overspringen; rammelen; springen
saltar a la vista afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken
sobrepasar afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken aftroeven; overbieden; overstijgen; overtreffen; overtroeven; overvleugelen; voorbijstreven
sorprender afsteken; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken afluisteren; betrappen; frapperen; iemand overvallen met iets; iets onverwachts doen; overrompelen; overvallen; snappen; verrassen

Wiktionary Übersetzungen für uitspringen:

uitspringen
verb
  1. intr|nld naar buiten, vooruitsteken.