Übersicht
Niederländisch nach Schwedisch:   mehr Daten
  1. schooieren:
  2. schooier:
  3. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für schooieren (Niederländisch) ins Schwedisch

schooieren:

schooieren Verb (schooier, schooiert, schooierde, schooierden, geschooierd)

  1. schooieren
    satsa
    • satsa Verb (satsar, satsade, satsat)

Konjugationen für schooieren:

o.t.t.
  1. schooier
  2. schooiert
  3. schooiert
  4. schooieren
  5. schooieren
  6. schooieren
o.v.t.
  1. schooierde
  2. schooierde
  3. schooierde
  4. schooierden
  5. schooierden
  6. schooierden
v.t.t.
  1. heb geschooierd
  2. hebt geschooierd
  3. heeft geschooierd
  4. hebben geschooierd
  5. hebben geschooierd
  6. hebben geschooierd
v.v.t.
  1. had geschooierd
  2. had geschooierd
  3. had geschooierd
  4. hadden geschooierd
  5. hadden geschooierd
  6. hadden geschooierd
o.t.t.t.
  1. zal schooieren
  2. zult schooieren
  3. zal schooieren
  4. zullen schooieren
  5. zullen schooieren
  6. zullen schooieren
o.v.t.t.
  1. zou schooieren
  2. zou schooieren
  3. zou schooieren
  4. zouden schooieren
  5. zouden schooieren
  6. zouden schooieren
en verder
  1. ben geschooierd
  2. bent geschooierd
  3. is geschooierd
  4. zijn geschooierd
  5. zijn geschooierd
  6. zijn geschooierd
diversen
  1. schooier!
  2. schooiert!
  3. geschooierd
  4. schooierend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

schooieren [znw.] Nomen

  1. schooieren

Übersetzung Matrix für schooieren:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
tigga och be schooieren
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
satsa schooieren punteren

Verwandte Wörter für "schooieren":


schooieren form of schooier:

schooier [de ~ (m)] Nomen

  1. de schooier (sloeber)
    kräk; usling; skurk; vrak

Übersetzung Matrix für schooier:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
kräk schooier; sloeber braaksel; kots
skurk schooier; sloeber bandiet; bedrieger; boef; boosdoener; booswicht; ellendeling; fielt; gemenerik; kaffer; klier; kreng; mispunt; naarling; onverlaat; oplichter; picaro; rabauw; rotvent; rotzak; schavuit; schelm; schobbejak; schoft; schurk; slechtaard; smeerlap; smiecht; snertvent; snoodaard; spitsboef; stinkerd; stuk ongeluk
usling schooier; sloeber boef; ellendeling; fielt; gemenerik; kaffer; klier; kreng; mispunt; rotvent; schobbejak; schoft; schurk; smeerlap; snertvent; spitsboef; stuk ongeluk
vrak schooier; sloeber ongelukkige; ruïne; schipbreuken; vervallen gebouw

Verwandte Wörter für "schooier":


Wiktionary Übersetzungen für schooier:


Cross Translation:
FromToVia
schooier tiggare gueux — (vieilli) ou ironique|fr Celui qui fait métier de demander l’aumône, mendiant.