Übersicht
Niederländisch nach Schwedisch:   mehr Daten
  1. onhelder:


Niederländisch

Detailübersetzungen für onhelder (Niederländisch) ins Schwedisch

onhelder:

onhelder Adjektiv

  1. onhelder (mistig; wazig; nevelig; nevelachtig)
    dimmigt; dimmig
  2. onhelder (wazig; onduidelijk; vaag; )
    dimmigt; mulig
  3. onhelder (troebel; onduidelijk; onklaar; )
    suddig; oklar; oklart; otydligt

Übersetzung Matrix für onhelder:

ModifierVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
dimmig mistig; nevelachtig; nevelig; onhelder; wazig beneveld; heiig; troebel; vervaagd; wazig; weggezakt in het geheugen
dimmigt flauw; mistig; nevelachtig; nevelig; onduidelijk; onhelder; vaag; vagelijk; wazig beneveld; heiig; niet helder; onduidelijk; troebel; vaag; vaag zichtbaar; vervaagd; wazig; weggezakt in het geheugen
mulig flauw; mistig; nevelachtig; onduidelijk; onhelder; vaag; vagelijk; wazig
oklar niet duidelijk; niet helder; onduidelijk; onhelder; onklaar; troebel; vaag niet helder; onduidelijk; vaag; vaag zichtbaar; wazig
oklart niet duidelijk; niet helder; onduidelijk; onhelder; onklaar; troebel; vaag niet helder; onduidelijk; vaag; vaag zichtbaar; voos; wazig
otydligt niet duidelijk; niet helder; onduidelijk; onhelder; onklaar; troebel; vaag donker; dubieus; duister; glibberig; niet helder; obscuur; onduidelijk; onguur; vaag; verdacht; vervaagd; voos; weggezakt in het geheugen; wollig
suddig niet duidelijk; niet helder; onduidelijk; onhelder; onklaar; troebel; vaag

Verwandte Wörter für "onhelder":

  • onhelderheid