Übersicht
Niederländisch nach Spanisch:   mehr Daten
  1. storen:
  2. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für storen (Niederländisch) ins Spanisch

storen:

storen Verb (stoor, stoort, stoorde, stoorden, gestoord)

  1. storen (hinderen; onmogelijk maken)
  2. storen (onmogelijk maken; hinderen)
  3. storen

Konjugationen für storen:

o.t.t.
  1. stoor
  2. stoort
  3. stoort
  4. storen
  5. storen
  6. storen
o.v.t.
  1. stoorde
  2. stoorde
  3. stoorde
  4. stoorden
  5. stoorden
  6. stoorden
v.t.t.
  1. heb gestoord
  2. hebt gestoord
  3. heeft gestoord
  4. hebben gestoord
  5. hebben gestoord
  6. hebben gestoord
v.v.t.
  1. had gestoord
  2. had gestoord
  3. had gestoord
  4. hadden gestoord
  5. hadden gestoord
  6. hadden gestoord
o.t.t.t.
  1. zal storen
  2. zult storen
  3. zal storen
  4. zullen storen
  5. zullen storen
  6. zullen storen
o.v.t.t.
  1. zou storen
  2. zou storen
  3. zou storen
  4. zouden storen
  5. zouden storen
  6. zouden storen
en verder
  1. ben gestoord
  2. bent gestoord
  3. is gestoord
  4. zijn gestoord
  5. zijn gestoord
  6. zijn gestoord
diversen
  1. stoor!
  2. stoort!
  3. gestoord
  4. storend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für storen:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
dificultar belemmeren; beperken
estorbar belemmeren; beperken
impedir afhouden; beletten; weerhouden
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
desbaratar hinderen; onmogelijk maken; storen doen mislukken; een stokje steken voor; onmogelijk maken; verhinderen; verijdelen
dificultar hinderen; onmogelijk maken; storen bemoeilijken; dwarsbomen; dwarsliggen; lastig maken; moeilijker maken; onmogelijk maken; tegengaan; tegenstreven; tegenwerken; verhinderen; weerstreven; zwaarder maken
estorbar hinderen; onmogelijk maken; storen bemoeilijken; dwarsbomen; dwarsliggen; kwaad doen; moeilijker maken; nadelig zijn; onmogelijk maken; schaden; tegenwerken; verhinderen; zwaarder maken
frustrar hinderen; onmogelijk maken; storen afvallen; benadelen; doen mislukken; duperen; een stokje steken voor; frustreren; laten zakken; onmogelijk maken; ontgoochelen; tegenvallen; teleurstellen; verhinderen; verijdelen
impedir hinderen; onmogelijk maken; storen afhouden; belemmeren; beletten; ervanaf houden; onmogelijk maken; verhinderen; verijdelen; voorkomen; voorkómen; weerhouden
importunar hinderen; onmogelijk maken; storen aanleiding geven tot; onmogelijk maken; ontrieven; ophitsen; provoceren; uitdagen; uitlokken; verhinderen; zemelen
molestar storen harrewarren; koeioneren; kwellen; lastigvallen; molesteren; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; teisteren; tergen; treiteren; wegpesten

Wiktionary Übersetzungen für storen:

storen
verb
  1. het functioneren nadelig beïnvloeden

Cross Translation:
FromToVia
storen agobiar; molestar bother — to annoy, disturb
storen perturbar; molestar disturb — confuse or irritate
storen enturbiar roil — render turbid
storen molestar; estorbar; dificultar; perturbar déranger — Traductions à trier suivant le sens
storen molestar; estorbar; dificultar; perturbar gêner — Causer de la gêne