Übersicht
Niederländisch nach Spanisch:   mehr Daten
  1. bezorgd:
  2. bezorgen:
  3. Wiktionary:
  4. User Contributed Translations for bezorgd:
    • preocupada


Niederländisch

Detailübersetzungen für bezorgd (Niederländisch) ins Spanisch

bezorgd:

bezorgd Adjektiv

  1. bezorgd (ongerust; verontrust)
  2. bezorgd (bekommerd; kommerlijk)

Übersetzung Matrix für bezorgd:

ModifierVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
angustiado bezorgd; ongerust; verontrust angstig; bang; beklemd; beklemmend; benauwend; bevreesd; geklemd; in angst; verschrikt; vervaard; vreesachtig
preocupado bekommerd; bezorgd; kommerlijk; met bezorgdheid; ongerust; verontrust helaas; jammer; jammer genoeg; kommervol; krukkig; onbeholpen; onhandig; schutterig; slungelig; sneu; spijtig; stumperig; stuntelig; sukkelig; vol zorgen

Verwandte Wörter für "bezorgd":


Wiktionary Übersetzungen für bezorgd:

bezorgd
adjective
  1. met zorgen beladen

Cross Translation:
FromToVia
bezorgd inquieto; ansioso anxious — full of anxiety
bezorgd inquieto; aprensivo apprehensive — anticipating something with anxiety or fear
bezorgd inquieto; preocupado worried — thinking about unpleasant things that have happened or that might happen
bezorgd inquietarse; preocuparse; estar preocupado worry — be troubled
bezorgd preocupado besorgt — um Hilfe und Unterstützung bemüht, voller Sorge
bezorgd ansioso anxieux — Qui a le caractère de l’anxiété, qui exprimer l’anxiété.
bezorgd cuidadoso; inquieto inquiet — Qui est dans quelques troubles, dans quelques agitations d’esprit, soit par craintes, soit par irrésolutions et incertitudes.

bezorgd form of bezorgen:

Konjugationen für bezorgen:

o.t.t.
  1. bezorg
  2. bezorgt
  3. bezorgt
  4. bezorgen
  5. bezorgen
  6. bezorgen
o.v.t.
  1. bezorgde
  2. bezorgde
  3. bezorgde
  4. bezorgden
  5. bezorgden
  6. bezorgden
v.t.t.
  1. heb bezorgd
  2. hebt bezorgd
  3. heeft bezorgd
  4. hebben bezorgd
  5. hebben bezorgd
  6. hebben bezorgd
v.v.t.
  1. had bezorgd
  2. had bezorgd
  3. had bezorgd
  4. hadden bezorgd
  5. hadden bezorgd
  6. hadden bezorgd
o.t.t.t.
  1. zal bezorgen
  2. zult bezorgen
  3. zal bezorgen
  4. zullen bezorgen
  5. zullen bezorgen
  6. zullen bezorgen
o.v.t.t.
  1. zou bezorgen
  2. zou bezorgen
  3. zou bezorgen
  4. zouden bezorgen
  5. zouden bezorgen
  6. zouden bezorgen
diversen
  1. bezorg!
  2. bezorgt!
  3. bezorgd
  4. bezorgend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für bezorgen:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
llevar wegdragen
suministrar leveren
traer langs brengen; meebrengen
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
acompañar afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; overhandigen; thuisbezorgen aan mengsel toevoegen; begeleiden; bijdoen; bijmengen; bijsluiten; bijvoegen; brengen; chaperonneren; eindje meerijden; erbij voegen; escorteren; geleiden; insluiten; langs brengen; leiden; meebrengen; meegaan; meelopen; meerijden; meevoeren; oprijden; rondleiden; toevoegen; vergezellen; voeren; volgen; wegbrengen
entregar aanleveren; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; rondbrengen; thuisbezorgen; toeleveren aanbieden; aangeven; aanreiken; afdragen; afgeven; afstaan; bestellen; doneren; geven; gunnen; gunst verlenen; indienen; inleveren; inschrijven; leveren; offreren; opgeven; orderen; overdragen aan; overgeven; overhandigen; presenteren; schenken; strijd opgeven; toesteken; uitbetalen; verlenen; verstrekken
entregar a afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; overhandigen; thuisbezorgen capituleren; opgeven; overgeven; uitleveren; zich overgeven
entregar a domicilio aanleveren; afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; thuisbezorgen; toeleveren
llevar aanleveren; afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; thuisbezorgen; toeleveren aan hebben; aanvoeren; beroven van; bevel voeren over; commanderen; depriveren; dragen; gebukt gaan onder; leiden; leidinggeven; ontnemen; te kort doen; terugbezorgen; torsen
mandar afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; overhandigen; thuisbezorgen aanvoeren; beheersen; belasten; besturen; bevel voeren over; bevelen; capituleren; commanderen; de overhand hebben; decreteren; dicteren; doen toekomen; doordrijven; gebieden; gelasten; heerschappij voeren; heersen; heersen over; iem. iets sturen; instructie geven; instrueren; insturen; inzenden; leiden; leiding geven; leidinggeven; machtiger zijn; majoreren; managen; onderwerpen; ontheffen; ontslaan; opdracht geven; opdragen; opgeven; opsturen; overgeven; overheersen; overmaken; posten; sturen; toezenden; uitleveren; uitsturen; verordenen; verordonneren; versturen; verzenden; voorschrijven; voorzitten; wegsturen; wegzenden; zenden; zich overgeven
repartir aanleveren; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; rondbrengen; thuisbezorgen; toeleveren arrangeren; bestellen; delen; distribueren; groeperen; gunnen; iets toekennen; indelen; opdelen; opsplitsen; ordenen; orderen; ronddelen; rondgeven; rondreiken; splitsen; systematiseren; toebedelen; toekennen; toewijzen; trakteren; uitdelen; uitreiken; verdelen; versturen; zenden; zich splitsen
repartir a domicilio aanleveren; afleveren; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; toeleveren
suministrar aanleveren; afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; thuisbezorgen; toeleveren binnen gieten; geven; gunnen; gunst verlenen; iemand iets toedienen; ingeven; schenken; verlenen; verstrekken; versturen; zenden
traer aanleveren; afgeven; afleveren; bestellen; bezorgen; brengen; leveren; overhandigen; thuisbezorgen; toeleveren aanslepen; afhalen; afnemen; brengen; langs brengen; meebrengen; meenemen; ophalen; terugbezorgen; toedragen; toevoeren; weghalen; wegnemen
- afleveren; leveren

Synonyms for "bezorgen":


Antonyme für "bezorgen":


Verwandte Definitionen für "bezorgen":

  1. het op een bepaalde plek brengen1
    • de postbode bezorgde het pakje1
  2. ervoor zorgen dat hij het krijgt1
    • hij bezorgde ons een vrijkaartje1

Wiktionary Übersetzungen für bezorgen:

bezorgen
verb
  1. iemand iets ~: bij iemand aan huis afleveren
  2. bij iemand veroorzaken
  3. goederen op een bepaalde plaats brengen
  4. verschaffen

Cross Translation:
FromToVia
bezorgen aportar; llevar; traer amenermener d’un lieu à un autre.
bezorgen traer; llevar; aportar apporterporter quelque chose à quelqu’un. usage L’objet du verbe apporter est toujours un inanimé.

Verwandte Übersetzungen für bezorgd