Übersicht
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. wegzuigen:


Niederländisch

Detailübersetzungen für wegzuigen (Niederländisch) ins Deutsch

wegzuigen:

wegzuigen Verb (zuig weg, zuigt weg, zoog weg, zogen weg, weggezogen)

  1. wegzuigen (afzuigen; opzuigen)
    absaugen; einziehen; durch die Nase einziehen
    • absaugen Verb (sauge ab, saugst ab, saugt ab, saugte ab, saugtet ab, abgesaugt)
    • einziehen Verb (ziehe ein, ziehst ein, zieht ein, zog ein, zogt ein, eingezogen)
    • durch die Nase einziehen Verb (ziehe durch die nase ein, ziehst durch die nase ein, zieht durch die nase ein, zog durch die Nase ein, zogt durch die Nase ein, durch die nase eingezogen)

Konjugationen für wegzuigen:

o.t.t.
  1. zuig weg
  2. zuigt weg
  3. zuigt weg
  4. zuigen weg
  5. zuigen weg
  6. zuigen weg
o.v.t.
  1. zoog weg
  2. zoog weg
  3. zoog weg
  4. zogen weg
  5. zogen weg
  6. zogen weg
v.t.t.
  1. heb weggezogen
  2. hebt weggezogen
  3. heeft weggezogen
  4. hebben weggezogen
  5. hebben weggezogen
  6. hebben weggezogen
v.v.t.
  1. had weggezogen
  2. had weggezogen
  3. had weggezogen
  4. hadden weggezogen
  5. hadden weggezogen
  6. hadden weggezogen
o.t.t.t.
  1. zal wegzuigen
  2. zult wegzuigen
  3. zal wegzuigen
  4. zullen wegzuigen
  5. zullen wegzuigen
  6. zullen wegzuigen
o.v.t.t.
  1. zou wegzuigen
  2. zou wegzuigen
  3. zou wegzuigen
  4. zouden wegzuigen
  5. zouden wegzuigen
  6. zouden wegzuigen
diversen
  1. zuig weg!
  2. zuigt weg!
  3. weggezogen
  4. wegzuigend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für wegzuigen:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
absaugen afzuigen; opzuigen; wegzuigen
durch die Nase einziehen afzuigen; opzuigen; wegzuigen drugs gebruiken; drugs snuiven; een snuif nemen; insnuiven; naspeuring doen; opsnuiven; rechercheren; snuffelen; snuiven; speuren
einziehen afzuigen; opzuigen; wegzuigen binnenmarcheren; binnentrekken; binnenvallen; een snuif nemen; eisen; iets verduren; incasseren; inmanen; insnuiven; inspringen; invorderen; inwinnen; onverwachts langskomen; opsnuiven; opvangen; snuiven; trachten te krijgen; verbeurdverklaren; vorderen