Übersicht
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. koeioneren:
  2. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für koeioneren (Niederländisch) ins Deutsch

koeioneren:

koeioneren Verb (koeioneer, koeioneert, koeioneerde, koeioneerden, gekoeioneerd)

  1. koeioneren (treiteren; pesten; plagen; )
    quälen; plagen; triezen; schinden; schikanieren; brutal vorgehen; belästigen; tyrannisieren; einschüchtern; wegekeln; piesacken; martern
    • quälen Verb (quäle, quälst, quält, quälte, quältet, gequält)
    • plagen Verb (plage, plagst, plagt, plagte, plagtet, geplagt)
    • triezen Verb (trieze, triezt, triezte, trieztet, getriezt)
    • schinden Verb (schinde, schindst, schindt, schindte, schindtet, geschindet)
    • schikanieren Verb (schikaniere, schikanierst, schikaniert, schikanierte, schikaniertet, schikanier)
    • brutal vorgehen Verb (gehe brutal vor, gehst brutal vor, geht brutal vor, ging brutal vor, gingt brutal vor, brutal vorgegangen)
    • belästigen Verb (belästige, belästigst, belästigt, belästigte, belästigtet, belästigent)
    • tyrannisieren Verb (tyrannisiere, tyrannisierst, tyrannisiert, tyrannisierte, tyrannisiertet, tyrannisiert)
    • einschüchtern Verb (schüchtere ein, schüchterst ein, schüchtert ein, schüchterte ein, schüchtertet ein, eingeschüchtert)
    • wegekeln Verb (ekele weg, ekelst weg, ekelt weg, ekelte weg, ekeltet weg, weggeekelt)
    • piesacken Verb (piesacke, piesackst, piesackt, piesackte, piesacktet, gepiesackt)
    • martern Verb (martere, marterst, martert, marterte, martertet, gemartert)

Konjugationen für koeioneren:

o.t.t.
  1. koeioneer
  2. koeioneert
  3. koeioneert
  4. koeioneren
  5. koeioneren
  6. koeioneren
o.v.t.
  1. koeioneerde
  2. koeioneerde
  3. koeioneerde
  4. koeioneerden
  5. koeioneerden
  6. koeioneerden
v.t.t.
  1. heb gekoeioneerd
  2. hebt gekoeioneerd
  3. heeft gekoeioneerd
  4. hebben gekoeioneerd
  5. hebben gekoeioneerd
  6. hebben gekoeioneerd
v.v.t.
  1. had gekoeioneerd
  2. had gekoeioneerd
  3. had gekoeioneerd
  4. hadden gekoeioneerd
  5. hadden gekoeioneerd
  6. hadden gekoeioneerd
o.t.t.t.
  1. zal koeioneren
  2. zult koeioneren
  3. zal koeioneren
  4. zullen koeioneren
  5. zullen koeioneren
  6. zullen koeioneren
o.v.t.t.
  1. zou koeioneren
  2. zou koeioneren
  3. zou koeioneren
  4. zouden koeioneren
  5. zouden koeioneren
  6. zouden koeioneren
en verder
  1. ben gekoeioneerd
  2. bent gekoeioneerd
  3. is gekoeioneerd
  4. zijn gekoeioneerd
  5. zijn gekoeioneerd
  6. zijn gekoeioneerd
diversen
  1. koeioneer!
  2. koeioneert!
  3. gekoeioneerd
  4. koeionerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für koeioneren:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
belästigen koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren aanranden; belemmeren; beletten; ergeren; irriteren; mishandelen; molesteren; op de zenuwen werken; pijnigen; verhinderen; vervelen; vrouw aanranden
brutal vorgehen koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren brutaliseren; bruuskeren
einschüchtern koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren angst aanjagen; bangmaken; beangstigen; bedreigen; doen schrikken; intimideren; onder druk zetten; ringeloren; terroriseren; tiranniseren; verschrikken; vrees aanjagen
martern koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren folteren; kwellen; martelen; pijnigen
piesacken koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren jennen; pesten; plagen; sarren; stangen; tarten; tergen; treiteren; uitdagen; zieken
plagen koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren lastigvallen; teisteren
quälen koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren mishandelen; molesteren; pijnigen
schikanieren koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren brutaliseren; bruuskeren; chicaneren; donderjagen; jennen; kleinzielig gedragen; lastigvallen; pesten; plagen; sarren; stangen; tarten; teisteren; tergen; treiteren; uitdagen; zieken
schinden koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren afhalen; afstropen; stevig aanpakken; streng behandelen; stropen; uitbenen; villen
triezen koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren jennen; pesten; plagen; sarren; stangen; tarten; tergen; treiteren; uitdagen; zieken
tyrannisieren koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren angst aanjagen; bangmaken; beangstigen; doen schrikken; intimideren; ringeloren; terroriseren; tiranniseren; verschrikken; vrees aanjagen
wegekeln koeioneren; kwellen; narren; pesten; plagen; sarren; tarten; tergen; treiteren etteren; griepen; klieren; zeiken

Wiktionary Übersetzungen für koeioneren:


Cross Translation:
FromToVia
koeioneren martern; peinigen; quälen tourmenter — Faire souffrir quelque tourment de corps.