Übersicht
Niederländisch nach Französisch:   mehr Daten
  1. binnenbrengen:


Niederländisch

Detailübersetzungen für binnenbrengen (Niederländisch) ins Französisch

binnenbrengen:

binnenbrengen Verb (breng binnen, brengt binnen, bracht binnen, brachten binnen, binnen gebracht)

  1. binnenbrengen (binnenhalen)
    remporter; obtenir; gagner
    • remporter Verb (remporte, remportes, remportons, remportez, )
    • obtenir Verb (obtiens, obtient, obtenons, obtenez, )
    • gagner Verb (gagne, gagnes, gagnons, gagnez, )

Konjugationen für binnenbrengen:

o.t.t.
  1. breng binnen
  2. brengt binnen
  3. brengt binnen
  4. brengen binnen
  5. brengen binnen
  6. brengen binnen
o.v.t.
  1. bracht binnen
  2. bracht binnen
  3. bracht binnen
  4. brachten binnen
  5. brachten binnen
  6. brachten binnen
v.t.t.
  1. heb binnen gebracht
  2. hebt binnen gebracht
  3. heeft binnen gebracht
  4. hebben binnen gebracht
  5. hebben binnen gebracht
  6. hebben binnen gebracht
v.v.t.
  1. had binnen gebracht
  2. had binnen gebracht
  3. had binnen gebracht
  4. hadden binnen gebracht
  5. hadden binnen gebracht
  6. hadden binnen gebracht
o.t.t.t.
  1. zal binnenbrengen
  2. zult binnenbrengen
  3. zal binnenbrengen
  4. zullen binnenbrengen
  5. zullen binnenbrengen
  6. zullen binnenbrengen
o.v.t.t.
  1. zou binnenbrengen
  2. zou binnenbrengen
  3. zou binnenbrengen
  4. zouden binnenbrengen
  5. zouden binnenbrengen
  6. zouden binnenbrengen
en verder
  1. ben binnen gebracht
  2. bent binnen gebracht
  3. is binnen gebracht
  4. zijn binnen gebracht
  5. zijn binnen gebracht
  6. zijn binnen gebracht
diversen
  1. breng binnen!
  2. brengt binnen!
  3. binnen gebracht
  4. binnen brengend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für binnenbrengen:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
gagner binnenbrengen; binnenhalen behalen; bekruipen; besparen; de overwinning behalen; eigen maken; geld besparen; gewinnen; halen; het gevoel krijgen; iets bemachtigen; kopen; matigen; minder gebruiken; overmannen; overmeesteren; overweldigen; overwinnen; pakken; te boven komen; te pakken krijgen; verdienen; verkrijgen; verslaan; verwerven; winnen; zegevieren; zich meester maken van
obtenir binnenbrengen; binnenhalen aanschaffen; behalen; bemachtigen; eigen maken; halen; iets bemachtigen; kopen; pakken; te pakken krijgen; toekrijgen; verkrijgen; verwerven; winnen
remporter binnenbrengen; binnenhalen afvoeren; eigen maken; iets bemachtigen; kopen; meedragen; te pakken krijgen; verkrijgen; verwerven; wegdragen; wegsjouwen; wegslepen; wegvoeren