Niederländisch

Detailübersetzungen für afvoer (Niederländisch) ins Französisch

afvoer:

afvoer [de ~ (m)] Nomen

  1. de afvoer (vervoer; overbrenging; verplaatsing; transport; verscheping)
    le transport; le déplacement; la transposition; le chargement
  2. de afvoer
    l'écoulement

Übersetzung Matrix für afvoer:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
chargement afvoer; overbrenging; transport; verplaatsing; verscheping; vervoer bevrachting; electrische lading; inlading; inscheping; laden; lading; scheepslading; transport; vracht; vrachtvervoer; wagonlading; wegtransport; wegvervoer
déplacement afvoer; overbrenging; transport; verplaatsing; verscheping; vervoer conversie; mate van beweeglijkheid van het lichaam; motoriek; omzetting; overplaatsing; respijt; uitstel; verlegging; verschuiving; verzetting; voortbeweging
transport afvoer; overbrenging; transport; verplaatsing; verscheping; vervoer cargo; lading; transport; vracht; vrachtvervoer; wegtransport; wegvervoer
transposition afvoer; overbrenging; transport; verplaatsing; verscheping; vervoer verzetting
écoulement afvoer afloop; afwatering; bloeding; bloeduitvloeiing; drainage; drooglegging; lediging; lozen; lozing; ontwatering; spuien; spuiïng; stromen; uitlaat; uitlaatpijp; verstrijken; verstrijking; vervallen; vlampijp; vloeiing; vloeimiddel; waterafvoer

Wiktionary Übersetzungen für afvoer:


Cross Translation:
FromToVia
afvoer drain drain — A conduit for liquids

afvoer form of afvaren:

afvaren Verb (vaar af, vaart af, voer af, voeren af, afgevaren)

  1. afvaren (afsteken; wegvaren)
    partir; décamper; faire bagage; contraster; prendre la mer; s'en aller
    • partir Verb (pars, part, partons, partez, )
    • décamper Verb (décampe, décampes, décampons, décampez, )
    • contraster Verb (contraste, contrastes, contrastons, contrastez, )
    • s'en aller Verb
  2. afvaren (uitvaren; van wal gaan)

Konjugationen für afvaren:

o.t.t.
  1. vaar af
  2. vaart af
  3. vaart af
  4. varen af
  5. varen af
  6. varen af
o.v.t.
  1. voer af
  2. voer af
  3. voer af
  4. voeren af
  5. voeren af
  6. voeren af
v.t.t.
  1. ben afgevaren
  2. bent afgevaren
  3. is afgevaren
  4. zijn afgevaren
  5. zijn afgevaren
  6. zijn afgevaren
v.v.t.
  1. was afgevaren
  2. was afgevaren
  3. was afgevaren
  4. waren afgevaren
  5. waren afgevaren
  6. waren afgevaren
o.t.t.t.
  1. zal afvaren
  2. zult afvaren
  3. zal afvaren
  4. zullen afvaren
  5. zullen afvaren
  6. zullen afvaren
o.v.t.t.
  1. zou afvaren
  2. zou afvaren
  3. zou afvaren
  4. zouden afvaren
  5. zouden afvaren
  6. zouden afvaren
diversen
  1. vaar af!
  2. vaart af!
  3. afgevaren
  4. afvarende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

afvaren [znw.] Nomen

  1. afvaren (afvaart; uitvaren)
    le décollage; l'appareillage; le départ; le démarrage

Übersetzung Matrix für afvaren:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
appareillage afvaart; afvaren; uitvaren
décollage afvaart; afvaren; uitvaren aanvang; afreis; begin; inzet; opening; opstijging; start; vertrek
démarrage afvaart; afvaren; uitvaren aanvang; accelereren; afreis; begin; inzet; opening; opstarten; optrekken; start; versnellen; vertrek
départ afvaart; afvaren; uitvaren aanvang; aanvangstijd; afreis; afrit; afvliegen; begin; begintijd; heengaan; inzet; opening; start; starttijd; vertrek; vertrekken; vertrektijd; weggaan; wegvliegen
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
contraster afsteken; afvaren; wegvaren afsteken; aftekenen; contrasteren; eruit springen; in het oog lopen; opvallen; uitspringen; uitsteken
décamper afsteken; afvaren; wegvaren de plaat poetsen; ervandoor gaan; hem smeren; inrukken; opdonderen; ophoepelen; opkrassen; oplazeren; zich uit de voeten maken; zich wegscheren
faire bagage afsteken; afvaren; wegvaren afreizen; heengaan; verdwijnen; verlaten; wegreizen; wegtrekken
lever l'ancre afvaren; uitvaren; van wal gaan er tussenuit knijpen; er vandoor gaan; ontglippen; ontkomen; ontsnappen aan; ontvluchten; vluchten; wegkomen; weglopen; wegrennen; zich vrijmaken
partir afsteken; afvaren; wegvaren aanbreken; aanvangen; afreizen; aftreden; beginnen; bezwijken; doodgaan; een begin nemen; gaan; heengaan; inslapen; lopend weggaan; omkomen; opbreken; opstappen; overlijden; smeren; sneuvelen; starten; sterven; terugtrekken; uittreden; uitzeilen; vallen; van start gaan; verdwijnen; verlaten; vertrekken; verwijderen; weggaan; weglopen; wegreizen; wegtrekken; wegvallen; zich begeven
prendre la mer afsteken; afvaren; uitvaren; van wal gaan; wegvaren afreizen; heengaan; verdwijnen; verlaten; wegreizen; wegtrekken
prendre le large afvaren; uitvaren; van wal gaan afreizen; heengaan; verdwijnen; verlaten; wegreizen; wegtrekken
quitter le port afvaren; uitvaren; van wal gaan afreizen; heengaan; verdwijnen; verlaten; wegreizen; wegtrekken
s'en aller afsteken; afvaren; wegvaren afreizen; aftreden; de plaat poetsen; deserteren; ervandoor gaan; gaan; heengaan; hem smeren; het leger ontvluchten; inrukken; lopend weggaan; opbreken; opdonderen; ophoepelen; opkrassen; oplazeren; opstappen; smeren; terugtrekken; uittreden; verdwijnen; verlaten; vertrekken; verwijderen; weggaan; weglopen; wegreizen; wegtrekken; zich uit de voeten maken

Wiktionary Übersetzungen für afvaren:

afvaren
verb
  1. marine|fr commencer un voyage sur mer.

afvoer form of afvoeren:

afvoeren Verb (voer af, voert af, voerde af, voerden af, afgevoerd)

  1. afvoeren (lozen; afscheiden; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen)
    éjecter; décharger; excréter; dégager; évacuer; déporter; déverser
    • éjecter Verb (éjecte, éjectes, éjectons, éjectez, )
    • décharger Verb (décharge, décharges, déchargons, déchargez, )
    • excréter Verb (excrète, excrètes, excrétons, excrétez, )
    • dégager Verb (dégage, dégages, dégagons, dégagez, )
    • évacuer Verb (évacue, évacues, évacuons, évacuez, )
    • déporter Verb (déporte, déportes, déportons, déportez, )
    • déverser Verb (déverse, déverses, déversons, déversez, )
  2. afvoeren (wegdragen; meedragen; wegvoeren; wegslepen; wegsjouwen)
    emmener; emporter; déporter; porter; remporter
    • emmener Verb (emmène, emmènes, emmenons, emmenez, )
    • emporter Verb (emporte, emportes, emportons, emportez, )
    • déporter Verb (déporte, déportes, déportons, déportez, )
    • porter Verb (porte, portes, portons, portez, )
    • remporter Verb (remporte, remportes, remportons, remportez, )
  3. afvoeren (doen wegvloeien)
    écouler; couler; déverser
    • écouler Verb (écoule, écoules, écoulons, écoulez, )
    • couler Verb (coule, coules, coulons, coulez, )
    • déverser Verb (déverse, déverses, déversons, déversez, )

Konjugationen für afvoeren:

o.t.t.
  1. voer af
  2. voert af
  3. voert af
  4. voeren af
  5. voeren af
  6. voeren af
o.v.t.
  1. voerde af
  2. voerde af
  3. voerde af
  4. voerden af
  5. voerden af
  6. voerden af
v.t.t.
  1. heb afgevoerd
  2. hebt afgevoerd
  3. heeft afgevoerd
  4. hebben afgevoerd
  5. hebben afgevoerd
  6. hebben afgevoerd
v.v.t.
  1. had afgevoerd
  2. had afgevoerd
  3. had afgevoerd
  4. hadden afgevoerd
  5. hadden afgevoerd
  6. hadden afgevoerd
o.t.t.t.
  1. zal afvoeren
  2. zult afvoeren
  3. zal afvoeren
  4. zullen afvoeren
  5. zullen afvoeren
  6. zullen afvoeren
o.v.t.t.
  1. zou afvoeren
  2. zou afvoeren
  3. zou afvoeren
  4. zouden afvoeren
  5. zouden afvoeren
  6. zouden afvoeren
diversen
  1. voer af!
  2. voert af!
  3. afgevoerd
  4. afvoerende
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für afvoeren:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
couler afvloeien; wegstromen; wegvloeien
dégager wegruimen
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
couler afvoeren; doen wegvloeien afdruipen; afglijden; aftakelen; afvloeien; afzakken; droppen; druipen; druppelen; druppels laten vallen; druppen; galvaniseren; gulpen; gutsen; in stralen lopen; in stromen neerstorten; inzinken; kelderen; lopen; onder water gaan; ondergaan; sijpelen; stromen; uitdruppelen; vervallen; verzinken; vlieden; vloeien; vluchten; wegglijden; weglekken; wegstromen; wegvloeien; wegvluchten; wegzinken; zakken; zinken
décharger afscheiden; afvoeren; lozen; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen aan de dijk zetten; afdanken; afladen; afmaken; afreageren; afschieten; afslachten; afvloeien; afvuren; bliksemen; congé geven; dechargeren; doden; ecarteren; eruit gooien; flitsen; iets uitladen; ledigen; leeggieten; leegmaken; leegstorten; lichten; lossen; luchten; moorden; neerhalen; neersabelen; neerschieten; om het leven brengen; ombrengen; onschuldig verklaren; ontheffen; ontladen; ontslaan; oplichten; schieten; schieten op; schoten lossen; uitgieten; uitladen; uitschenken; uitsturen; van zijn positie verdrijven; vermoorden; verzenden; vrijpleiten; vrijspreken; vuren; weerlichten; wegsturen; wegzenden; zuiveren
dégager afscheiden; afvoeren; lozen; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen banen; bevrijden; detacheren; emanciperen; loskrijgen; losmaken; lostornen; loswerken; scheiden; tewerkstellen; tornen; uithalen; uittrekken; uitzenden; verlossen; vrijmaken; vrijvechten; wegstoten; wegtrappen
déporter afscheiden; afvoeren; lozen; meedragen; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen; wegdragen; wegsjouwen; wegslepen; wegvoeren deporteren; uitzetten
déverser afscheiden; afvoeren; doen wegvloeien; lozen; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen afrollen; gieten; ledigen; leeggieten; leegmaken; leegstorten; ontrollen; overhevelen; overtappen; schenken; spuien; uit de weg gaan; uitgieten; uitrollen; uitschenken; uitstorten; uitwateren; uitwijken; water afvoeren; water lozen
emmener afvoeren; meedragen; wegdragen; wegsjouwen; wegslepen; wegvoeren begeleiden; wegbrengen; wegleiden; wegvoeren
emporter afvoeren; meedragen; wegdragen; wegsjouwen; wegslepen; wegvoeren afhalen; afnemen; ledigen; leeghalen; leegmaken; legen; meenemen; meeslepen; meesleuren; meetrekken; meetronen; ophalen; weghalen; wegnemen
excréter afscheiden; afvoeren; lozen; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen
porter afvoeren; meedragen; wegdragen; wegsjouwen; wegslepen; wegvoeren aan hebben; aandoen; aangeven; aanreiken; afgeven; berokkenen; dragen; gebukt gaan onder; geven; naar boven brengen; naar boven dragen; naar boven tillen; omhoogdragen; ondersteunen; opwaarts dragen; overgeven; overhandigen; rugsteunen; sjouwen; steunen; toebrengen; toesteken; torsen; veroorzaken; versturen; zenden; zeulen
remporter afvoeren; meedragen; wegdragen; wegsjouwen; wegslepen; wegvoeren binnenbrengen; binnenhalen; eigen maken; iets bemachtigen; kopen; te pakken krijgen; verkrijgen; verwerven
écouler afvoeren; doen wegvloeien aftappen; spuien; tappen; uitwateren; water afvoeren; water lozen; wegebben
éjecter afscheiden; afvoeren; lozen; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen uitgooien; uitwerpen
évacuer afscheiden; afvoeren; lozen; uitscheiden; uitstoten; uitwerpen aftappen; evacueren; ledigen; leeghalen; leegmaken; leegruimen; legen; ontruimen; ontwateren; tappen; uithalen; uitschenken

Wiktionary Übersetzungen für afvoeren:


Cross Translation:
FromToVia
afvoeren jeter can — to discard