Niederländisch

Detailübersetzungen für verwoord (Niederländisch) ins Spanisch

verwoord:

verwoord Adjektiv

  1. verwoord (gezegd; genoemd)
    dicho; mencionado; llamado

Übersetzung Matrix für verwoord:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
dicho frase; gezegde; spreuk; uitdrukking; verwoording; zegswijze; zin
ModifierVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
dicho genoemd; gezegd; verwoord gemeld
llamado genoemd; gezegd; verwoord aangeroepen; bij naam; bij zijn naam noemend; geheten; genaamd; getiteld; ingeroepen; kwasi; opgebeld; pseudo-; quasi; vermeend; verondersteld; wat men noemt; zogenaamde
mencionado genoemd; gezegd; verwoord gemeld

Verwandte Wörter für "verwoord":

  • verwoorde

verwoorden:

Konjugationen für verwoorden:

o.t.t.
  1. verwoord
  2. verwoordt
  3. verwoordt
  4. verwoorden
  5. verwoorden
  6. verwoorden
o.v.t.
  1. verwoordde
  2. verwoordde
  3. verwoordde
  4. verwoordden
  5. verwoordden
  6. verwoordden
v.t.t.
  1. heb verwoord
  2. hebt verwoord
  3. heeft verwoord
  4. hebben verwoord
  5. hebben verwoord
  6. hebben verwoord
v.v.t.
  1. had verwoord
  2. had verwoord
  3. had verwoord
  4. hadden verwoord
  5. hadden verwoord
  6. hadden verwoord
o.t.t.t.
  1. zal verwoorden
  2. zult verwoorden
  3. zal verwoorden
  4. zullen verwoorden
  5. zullen verwoorden
  6. zullen verwoorden
o.v.t.t.
  1. zou verwoorden
  2. zou verwoorden
  3. zou verwoorden
  4. zouden verwoorden
  5. zouden verwoorden
  6. zouden verwoorden
diversen
  1. verwoord!
  2. verwoordt!
  3. verwoord
  4. verwoordend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für verwoorden:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
decir zegje
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
apagar uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden afbakenen; afdempen; afdempen van geluid; afpalen; afsluiten; afzetten; begrenzen; blussen; doven; neppen; omlijnen; prenten; smoren; stilzetten; stoppen; tot stilstand brengen; uitademen; uitblazen; uitblussen; uitdoen; uitdoven; uitdraaien
caracterizar uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden aftekenen; contrasteren; karakteriseren; kenmerken; kenschetsen; paraferen; tekenen; typeren; uitbeelden; verbeelden; verpersonificeren; vertolken
decir uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden informeren; inlichten; op de hoogte brengen; tippen; van iets in kennis stellen; verwittigen; waarschuwen
desembrollar uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden ontknopen; ontraadselen; ontrafelen; ontwarren; oplossen
desenmarañar uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden ontknopen; ontraadselen; ontrafelen; ontwarren; oplossen; uit de war halen; uit elkaar halen
desentrañar uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden
deshilarse uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden
dictar uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden bevelen; dicteren; gebieden; gelasten; ingeven; voorschrijven
escoger uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden kiezen; stemmen; uitloten; zijn stem uitbrengen
expresar formuleren; uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; verbaliseren; vertolken; verwoorden beschrijven; betonen; betuigen; fraseren; inkleden; laten zien; overzetten; presenteren; spuien; tonen; translateren; uitbeelden; uiten; verbeelden; verpersonificeren; vertalen; vertolken; vertonen; weergeven
expresarse formuleren; verbaliseren; verwoorden fraseren; inkleden
formular formuleren; verbaliseren; verwoorden afbakenen; afpalen; afzetten; begrenzen; formuleren; fraseren; in een formule brengen; inkleden; omlijnen
frasear formuleren; verbaliseren; verwoorden formuleren; fraseren; in een formule brengen; inkleden
hablar uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden babbelen; bewust maken; communiceren; converseren; een conversatie hebben; in contact staan; informeren; kakelen; kennisgeven van; klappen; kletsen; kouten; kwebbelen; kwekken; kwetteren; praten; snateren; speechen; spreken; wauwelen; zeggen; zwammen
parlar uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden babbelen; bewust maken; informeren; kakelen; kennisgeven van; klappen; kletsen; kouten; kwebbelen; kwekken; kwetteren; praten; ratelen; snateren; spreken; wauwelen; zeggen; zwammen
poner sobre el tapete naar voren brengen; opmerken; ter sprake brengen; vertellen; verwoorden; zeggen aankaarten; aansnijden; op tafel leggen; ter sprake brengen
pronunciarse uitdrukken; uitdrukking geven aan; uiten; uiting geven aan; vertolken; verwoorden
redactar formuleren; verbaliseren; verwoorden bewerken; formuleren; fraseren; in een formule brengen; inkleden; tekst redigeren
sacar a relucir naar voren brengen; opmerken; ter sprake brengen; vertellen; verwoorden; zeggen

Wiktionary Übersetzungen für verwoorden:


Cross Translation:
FromToVia
verwoorden formular formulate — to reduce to, or express in, a formula; to put in a clear and definite form of statement or expression
verwoorden redactar word — say or write using particular words
verwoorden representar; describir; jugar; tocar; expresar; enunciar représenterprésenter de nouveau.