Übersicht
Niederländisch nach Spanisch:   mehr Daten
  1. pruttelen:
  2. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für pruttelen (Niederländisch) ins Spanisch

pruttelen:

pruttelen Verb (pruttel, pruttelt, pruttelde, pruttelden, geprutteld)

  1. pruttelen (over iets mopperen; kankeren; klagen; )
  2. pruttelen (op vuur pruttelen; smoren; sudderen; stoffen)

Konjugationen für pruttelen:

o.t.t.
  1. pruttel
  2. pruttelt
  3. pruttelt
  4. pruttelen
  5. pruttelen
  6. pruttelen
o.v.t.
  1. pruttelde
  2. pruttelde
  3. pruttelde
  4. pruttelden
  5. pruttelden
  6. pruttelden
v.t.t.
  1. heb geprutteld
  2. hebt geprutteld
  3. heeft geprutteld
  4. hebben geprutteld
  5. hebben geprutteld
  6. hebben geprutteld
v.v.t.
  1. had geprutteld
  2. had geprutteld
  3. had geprutteld
  4. hadden geprutteld
  5. hadden geprutteld
  6. hadden geprutteld
o.t.t.t.
  1. zal pruttelen
  2. zult pruttelen
  3. zal pruttelen
  4. zullen pruttelen
  5. zullen pruttelen
  6. zullen pruttelen
o.v.t.t.
  1. zou pruttelen
  2. zou pruttelen
  3. zou pruttelen
  4. zouden pruttelen
  5. zouden pruttelen
  6. zouden pruttelen
diversen
  1. pruttel!
  2. pruttelt!
  3. geprutteld
  4. pruttelend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für pruttelen:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
zumbar bijengegons; bijengezoem
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
balar op vuur pruttelen; pruttelen; smoren; stoffen; sudderen blaffen; blaten; blèren; brullen; bulderen; mekkeren; schreeuwen
borbotear op vuur pruttelen; pruttelen; smoren; stoffen; sudderen opborrelen; opwellen; sakkeren
brotar op vuur pruttelen; pruttelen; smoren; stoffen; sudderen afkomstig zijn; afstammen; borrelen; conveniëren; deugen; geschikt zijn; omhoog schieten; ontspruiten; opschieten; passen; passend zijn; spruiten; stammen; uit de grond schieten; uit ei kruipen; uitkomen; voortkomen; wellen
dar balidos op vuur pruttelen; pruttelen; smoren; stoffen; sudderen blaten; mekkeren
estofar op vuur pruttelen; pruttelen; smoren; stoffen; sudderen iem. verstikken; smoren; stoven; verstikken
gruñir brommen; kankeren; klagen; mopperen; morren; op vuur pruttelen; over iets mopperen; pruttelen; smoren; stoffen; sudderen foeteren; grauwen; grommen; kankeren; klagen; knorren; knorrend geluid maken; misnoegen uiten; morren; murmeren; ontevreden mompelen; over iets mopperen; ronken; sakkeren; snauwen; snorren; uitbrander geven; zagen; zemelen; zeuren
guisar op vuur pruttelen; pruttelen; smoren; stoffen; sudderen bakken; braden; iem. verstikken; smoren; verstikken
refunfuñar por una cosa brommen; kankeren; klagen; mopperen; morren; over iets mopperen; pruttelen
zumbar op vuur pruttelen; pruttelen; smoren; stoffen; sudderen brommen; dreinen; drenzen; dwingend huilen; gonzen; jengelen; ruisen; sakkeren; suizelen; suizen; tuiten; zoemen; zoeven

Wiktionary Übersetzungen für pruttelen:


Cross Translation:
FromToVia
pruttelen refunfuñar; gruñir nörgelnpenetrant/störend, aber nicht aggressiv seinen Unmut äußern

Verwandte Übersetzungen für pruttelen