Übersicht
Niederländisch nach Spanisch:   mehr Daten
  1. kapotmaken:
  2. kapot maken:
  3. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für kapot maken (Niederländisch) ins Spanisch

kapotmaken:

kapotmaken Verb (maak kapot, maakt kapot, maakte kapot, maakten kapot, kapot gemaakt)

  1. kapotmaken (moeren; mollen)

Konjugationen für kapotmaken:

o.t.t.
  1. maak kapot
  2. maakt kapot
  3. maakt kapot
  4. maken kapot
  5. maken kapot
  6. maken kapot
o.v.t.
  1. maakte kapot
  2. maakte kapot
  3. maakte kapot
  4. maakten kapot
  5. maakten kapot
  6. maakten kapot
v.t.t.
  1. heb kapot gemaakt
  2. hebt kapot gemaakt
  3. heeft kapot gemaakt
  4. hebben kapot gemaakt
  5. hebben kapot gemaakt
  6. hebben kapot gemaakt
v.v.t.
  1. had kapot gemaakt
  2. had kapot gemaakt
  3. had kapot gemaakt
  4. hadden kapot gemaakt
  5. hadden kapot gemaakt
  6. hadden kapot gemaakt
o.t.t.t.
  1. zal kapotmaken
  2. zult kapotmaken
  3. zal kapotmaken
  4. zullen kapotmaken
  5. zullen kapotmaken
  6. zullen kapotmaken
o.v.t.t.
  1. zou kapotmaken
  2. zou kapotmaken
  3. zou kapotmaken
  4. zouden kapotmaken
  5. zouden kapotmaken
  6. zouden kapotmaken
en verder
  1. ben kapot gemaakt
  2. bent kapot gemaakt
  3. is kapot gemaakt
  4. zijn kapot gemaakt
  5. zijn kapot gemaakt
  6. zijn kapot gemaakt
diversen
  1. maak kapot!
  2. maakt kapot!
  3. kapot gemaakt
  4. kapotmakend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

kapotmaken [znw.] Nomen

  1. kapotmaken
    el romper

Übersetzung Matrix für kapotmaken:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
dañar beschadigen; kwetsen
romper kapotmaken afbraak; inscheuren; knakken; sloop; verscheuring
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
abusar de kapotmaken; moeren; mollen beroven; exploiteren; knakken; misbruiken; ontdoen; uitbuiten
dañar kapotmaken; moeren; mollen aantasten; aanvreten; afbreuk doen aan; bederven; belasteren; benadelen; beschadigen; bezeren; bezoedelen; blesseren; deren; eer door het slijk halen; grieven; in elkaar slaan; krenken; kwaad doen; kwaadspreken; kwetsen; lasteren; nadeel berokkenen; nadelig zijn; pijn doen; schaden; smaden; toetakelen; verwonden; zeer doen
deformar kapotmaken; moeren; mollen een andere vorm geven; mismaken; misvormen; verbasteren; verminken; vertekenen; vervormen
desfigurar kapotmaken; moeren; mollen een andere vorm geven; knakken; mismaken; misvormen; verbasteren; verdraaien; verminken; vertekenen; vervormen; zich omdraaien
fracturar kapotmaken; moeren; mollen aan stukken breken; barsten; breken; kapot gaan; kapotgaan; losspringen; met opzet kapotmaken; onklaar raken; openspringen; sneuvelen; stuk gaan; stukbreken; stukgaan
quebrantar kapotmaken; moeren; mollen barsten; begeven; flippen; geweld gebruiken; in elkaar slaan; kapotgaan; knakken; losspringen; onklaar raken; openspringen; schofferen; stukgaan; toetakelen
refractar kapotmaken; moeren; mollen barsten; begeven; breken; flippen; kapot gaan; kapotgaan; knakken; losspringen; onklaar raken; openspringen; sneuvelen; stuk gaan; stukgaan
romper kapotmaken; moeren; mollen aan stukken breken; afbreken; barsten; beëindigen; binnenbreken; breken; fijnmaken; forceren; in stukken breken; ingooien; inhakken; inhouwen; kapot gaan; kapot maken; kapot scheuren; kapotbreken; kapotgaan; kapotgooien; knappen; losrukken; losscheuren; losspringen; lostrekken; met opzet kapotmaken; onklaar raken; ontbinden; openspringen; opheffen; platdrukken; ruineren; slechten; slopen; sneuvelen; stuk gaan; stukbreken; stukgaan; stukgooien; stukmaken; verbreken; verbrijzelen; vergruizen; vermorzelen; vernielen; vernietigen; verpletteren; verscheuren; verwoesten

kapot maken:

kapot maken Verb (maak kapot, maakt kapot, maakte kapot, maakten kapot, kapot gemaakt)

  1. kapot maken (slechten)

Konjugationen für kapot maken:

o.t.t.
  1. maak kapot
  2. maakt kapot
  3. maakt kapot
  4. maken kapot
  5. maken kapot
  6. maken kapot
o.v.t.
  1. maakte kapot
  2. maakte kapot
  3. maakte kapot
  4. maakten kapot
  5. maakten kapot
  6. maakten kapot
v.t.t.
  1. heb kapot gemaakt
  2. hebt kapot gemaakt
  3. heeft kapot gemaakt
  4. hebben kapot gemaakt
  5. hebben kapot gemaakt
  6. hebben kapot gemaakt
v.v.t.
  1. had kapot gemaakt
  2. had kapot gemaakt
  3. had kapot gemaakt
  4. hadden kapot gemaakt
  5. hadden kapot gemaakt
  6. hadden kapot gemaakt
o.t.t.t.
  1. zal kapot maken
  2. zult kapot maken
  3. zal kapot maken
  4. zullen kapot maken
  5. zullen kapot maken
  6. zullen kapot maken
o.v.t.t.
  1. zou kapot maken
  2. zou kapot maken
  3. zou kapot maken
  4. zouden kapot maken
  5. zouden kapot maken
  6. zouden kapot maken
en verder
  1. ben kapot gemaakt
  2. bent kapot gemaakt
  3. is kapot gemaakt
  4. zijn kapot gemaakt
  5. zijn kapot gemaakt
  6. zijn kapot gemaakt
diversen
  1. maak kapot!
  2. maakt kapot!
  3. kapot gemaakt
  4. kapot makend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für kapot maken:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
romper afbraak; inscheuren; kapotmaken; knakken; sloop; verscheuring
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
aplanar kapot maken; slechten afplatten; effenen; egaliseren; fijndrukken; fonkelen; gelijkmaken; gladmaken; glimmen; glinsteren; platdrukken; platmaken; pletten
derrumbar kapot maken; slechten begeven; flippen
estropear kapot maken; slechten aantasten; aanvreten; bederven; beschadigen; corrumperen; fijnmaken; haspelen; iets vergallen; in de war sturen; ingooien; nekken; platdrukken; ruïneren; stukmaken; tot een warboel maken; uitwonen; verbrijzelen; verbroddelen; verderven; vergallen; vergruizen; verklungelen; verknallen; verknoeien; vermorzelen; verpesten; verpletteren; verprutsen; verwarren; verzieken
pulir kapot maken; slechten afbedelen; effenen; egaliseren; gelijkmaken; gladmaken; gladwrijven; opblinken; opdirken; opdoffen; oppoetsen; optutten; opwrijven; poetsen; polijsten; politoeren; scherp maken; slijpen; uitdossen; uitslijpen; wegslijpen; wrijven
refinar kapot maken; slechten bijleren; bijschaven; effenen; egaliseren; gelijkmaken; gladmaken; perfectioneren; raffineren; veredelen; verfijnen
romper kapot maken; slechten aan stukken breken; afbreken; barsten; beëindigen; binnenbreken; breken; fijnmaken; forceren; in stukken breken; ingooien; inhakken; inhouwen; kapot gaan; kapot scheuren; kapotbreken; kapotgaan; kapotgooien; kapotmaken; knappen; losrukken; losscheuren; losspringen; lostrekken; met opzet kapotmaken; moeren; mollen; onklaar raken; ontbinden; openspringen; opheffen; platdrukken; ruineren; slopen; sneuvelen; stuk gaan; stukbreken; stukgaan; stukgooien; stukmaken; verbreken; verbrijzelen; vergruizen; vermorzelen; vernielen; vernietigen; verpletteren; verscheuren; verwoesten

Wiktionary Übersetzungen für kapot maken:


Cross Translation:
FromToVia
kapot maken destruir; romper destroy — to damage beyond use or repair
kapot maken romper; quebrar casser — Briser, rompre

Verwandte Übersetzungen für kapot maken