Übersicht
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. verleren:


Niederländisch

Detailübersetzungen für verleren (Niederländisch) ins Deutsch

verleren:

verleren Verb (verleer, verleert, verleerde, verleerden, verleerd)

  1. verleren
    verlernen
    • verlernen Verb (verlerne, verlernst, verlernt, verlernte, verlerntet, verlernt)

Konjugationen für verleren:

o.t.t.
  1. verleer
  2. verleert
  3. verleert
  4. verleren
  5. verleren
  6. verleren
o.v.t.
  1. verleerde
  2. verleerde
  3. verleerde
  4. verleerden
  5. verleerden
  6. verleerden
v.t.t.
  1. ben verleerd
  2. bent verleerd
  3. is verleerd
  4. zijn verleerd
  5. zijn verleerd
  6. zijn verleerd
v.v.t.
  1. was verleerd
  2. was verleerd
  3. was verleerd
  4. waren verleerd
  5. waren verleerd
  6. waren verleerd
o.t.t.t.
  1. zal verleren
  2. zult verleren
  3. zal verleren
  4. zullen verleren
  5. zullen verleren
  6. zullen verleren
o.v.t.t.
  1. zou verleren
  2. zou verleren
  3. zou verleren
  4. zouden verleren
  5. zouden verleren
  6. zouden verleren
diversen
  1. verleer!
  2. verleert!
  3. verleerd
  4. verlerend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für verleren:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
verlernen verleren afleren; ontwennen