Übersicht
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. voorbij:
  2. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für voorbij (Niederländisch) ins Deutsch

voorbij:

voorbij Adjektiv

  1. voorbij (gepasseerd)
    darüber
  2. voorbij (verstreken; beëindigd; verlopen; vervallen)
    verstrichen; beendet; fällig; um
  3. voorbij (af; voltooid; over; )
    aus; fertig; beendet; klar; erledigt; geschafft; vollendet; einsatzbereit; parat; bereit
  4. voorbij (voltooid; klaar; beëindigd; )
    vollendet; beendet; fertig; aus

Übersetzung Matrix für voorbij:

PrepositionVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
- om
ModifierVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
aus af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij eruit
beendet af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; verlopen; verstreken; vervallen; voltooid; voorbij af; beëindigd; gedaan; gereed; klaar; volbracht
bereit af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij bereid; bereidvaardig; doorgekookt; gaar; gedaan; genegen; gereed; gewillig; klaar; paraat
darüber gepasseerd; voorbij behalve dat; boven; bovendien; bovengemeld; bovengenoemd; bovenstaand; bovenvermeld; daarbij; daarboven; daarenboven; daarmede; daarnaast; daarnevens; daarover; erbovenuit; ernaast; over; overheen; voorgemeld; voornoemd
einsatzbereit af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij bereidvaardig; gereed; gewillig; klaar; operationeel; paraat
erledigt af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij afgehandeld
fertig af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij af; afgemat; beëindigd; dodelijk vermoeid; doodmoe; doodop; doorgekookt; gaar; gedaan; gekookt; gereed; hondsmoe; klaar; op; paraat; uitgeteld; volbracht
fällig beëindigd; verlopen; verstreken; vervallen; voorbij
geschafft af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij
klar af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij aanschouwelijk; begrijpelijk; bereidvaardig; direct; doorgrond; doorzien; duidelijk; eenduidig; flagrant; gekookt; gereed; gewillig; helder; herkenbaar; klaar; klare; lichtgevend; lumineus; onbewolkt; ondubbelzinnig; onmiskenbaar; op heterdaad; overduidelijk; paraat; recht door zee; regelrecht; verhelderend; verstaanbaar; zo klaar als een klontje; zonneklaar
parat af; afgedaan; afgelopen; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij bereidvaardig; gereed; gewillig; klaar; paraat
um beëindigd; verlopen; verstreken; vervallen; voorbij om
verstrichen beëindigd; verlopen; verstreken; vervallen; voorbij
vollendet af; afgedaan; afgelopen; beëindigd; gedaan; gepleegd; gereed; geëindigd; klaar; over; uit; voltooid; voorbij af; beëindigd; gedaan; gereed; klaar; volbracht; voleindigd

Verwandte Wörter für "voorbij":

  • voorbije

Synonyms for "voorbij":


Verwandte Definitionen für "voorbij":

  1. verstreken, achter de rug1
    • in de voorbije jaren is veel gebeurd1
  2. verder dan1
    • voorbij de kerk moet u linksaf slaan1
  3. verder, langs1
    • de bus komt voorbij de school1

Wiktionary Übersetzungen für voorbij:


Cross Translation:
FromToVia
voorbij vorbei over — ended
voorbij vergangen past — having already happened; in the past
voorbij vorbei past — beyond in place
voorbij vergangen; welk; vorig passé — Qui est périmé.

Verwandte Übersetzungen für voorbij